Voor U gelezen het verenigingsjaar 1974
Vissen van onze Limburgse Beken
Oktober 2011
November 2011
December 2011
Januari - februari 2012
Daar snellen ze voort, de kronkelende Geleen met Caumer enRode Beek,de grillige
Geul met Gulp en Eyserbeek,met Lombergbeek en Syterbeek,allemaal bochtige, allemaal
haastig ,gelukkig niet of nauwelijks genormaliseerd, helaas wel gedeeltelijk vervuild
door afvalwater; allemaal voort naar de Brede stroom der Maas. De populieren in
de beemden spiegelen zich in hun water, de watermolen profiteert van hun pittige
kracht, welig gras en kleurige bloei omzomen hun oevers, over hun vlugge golfjes
schieten de oever- zwaluwen voort ,en de grote gele kwikstaart trippelt haastig
van steen tot steen, omspoeld door het klaterende water………. Water, over de vissen
die hierin leven, of liever misschien, nog leven, wilden we het hebben. Wij
aquarianen houden het wel bij de prachtige tropische soorten, doch onze eigen
vissen, laten ze dan wat minder kleurrijk zijn, doen echt,qua vorm en interessante
levenswijze, niet voor deze exoten onder. De
vissen van onze snelstromende beken zijn echt aangepast aan de snelle stroming, hierin
moeten ze zich niet alleen kunnen verplaatsen,doch ook nog hun voer bemachtigen
en voor hun nakomelingschap zorgen. Laten
we u als nummer een de ELRITS [PHLOXINUS LAEVI’S] voorstellen.
Hier in Zuid-Limburg noemen we hem ellerling, en die naam is eigenlijk beter
en mooier. Het
is een vlug visje, en zoals alle beekvissen, krachtig gespierd en prachtig gestroomlijnd.
Hij is min of meer
goudgeel met wat donkerder dwarsbanden, en leeft van al die larfjes , insecten
en wormpjes die in onze beken voorkomen. Iets
groter is het ALVERTJE [ALBURNUS LUCIDUS] ook zo,n vluggerd, blauwachtig bovenop,
en aan de zijkanten met een prachtige parelmoerglans; hij kan 15 tot 20 cm lang worden,
maar. Vaak zie je ze kleiner. Het diertje komt vaak met hele troepjes in onze beken
voor. Die glanzende zijschubben worden het diertje vaak noodlottig; ze worden gebruikt
om aan imitatie parels de nodige glans te geven…….Zoeken Ellerling en Alvertje het
open water,meer op de bodem leeft het zgn. Bermpje, op z;n zondags langbaardige
modderkruiper of CobitisBarbatula genaamd, een gerekt visje van geelachtige grondkleur
maar op rug en zijden donkerder gemarmerd; ze graven zich graag in het zand, zodat
alleen de kop met de zes lange voeldraadtjes te zien is. Tegen de avond echter
worden ze fit , en gaan op zoek naar voedsel. Hun grote familielid is de zgn. WEERAAL{COBITIS
FOSSILIS} bekend, omdat hij bij stormachtig weer wild rondzwemt, en daarom wel eens
in aquarium of goudviskom als weervoorspeller gehouden wordt. Een echte bodemvis
van snelle beken is ook de RIVIERDONDERPAD [COTTUS GOBIO]. Die ziet er vreemd
genoeg uit; ook al afgeplat, met brede kop en vrij kleine mond. Daarbij twee rugvinnen,
waarvan de voorste een stekelvin is[ als je m grijpt, kun je gevoelig prikken],
en twee grote , brede borstvinnen. Het hele beest is glibberig door veel slijm
en bruinachtig van kleur, variërend naar de kleur van de stenige bodem waarop hij
leeft. Onder die stenen verschuilt hij zich graag, en daar zet het wijfje ook
de kuit af, enige honderden eitjes. Voor een vis is dit niet veel, maar in dit
geval kan het mannetje eieren jongen bewaakt. Tegen iedere aanvaller verdedigt
hij ze, daarbij telkens de kleine, omhoog gerichte doorn op de kieuwdeksel oprichtend.
Gedurende heel die bewaking eet het mannetje niet, maar na een week of vier , vijf
is dit verzorgingsinstinct uitgewerkt, en laat hij niet alleen de jongen aan hun
lot over, maar beschouwt ze zelfs als prooi, evengoed als ander klein gedierte;
een bewijs, dat we deze instincten goed moeten onderscheiden van echte ouderliefde,
die iets specifiek menselijk is. Van allerlei klein gedierte kan het visje heel
wat aan, en ook forellenkuit is er niet veilig voor.
Die FOREL[SALMO FARIO] is een klein geulvisje. Het dier heeft een grote behoefte
aan zuurstof en kan daardoor alleen in snelstromend water leven, in ons land oorspronkelijk
alleen in de Geul. Tegenwoordig worden echter veel forellen kunstmatig opgekweekt,
o.a. in de vis kwekerij te Gulpen van de Nederlandse Heidemaatschappij,en dan in
geschikte beken en riviertjes uitgezet. De kleur van de forel wisselt nogal in
verband met de bodem van de beek, maar over de grondkleur verspreid liggen ronde
vlekken die de kleur nog meer camoufleert maken. Ook de grote loopt nogal uiteen;
in grote snelstromende rivieren kunnen ze zelfs een meter lang worden, maar in een
beekje als de Geul is 40 cm. al een mooie maat. De forel behoort tot de zalmen
–familie en heeft dus ook een zgn. vetvin, zonder vinstralen er in , een eindje achter
de rugvin. En net als de zalm ,maakt de forel ook graag een reisje om kuit te schieten.
Maar die reis is heel wat korter dan bij de zalm; het gaat alleen maar een eindje
stroom op , en daar worden in een kuiltje de eieren gelegd, die dan met wat zand
worden bedekt. Onder de vissen van onze beken zijn ook weer zeldzaamheden. Of de
VLAGZALM[ THYMALLUS VULGARIS] nog in de Geul voorkomt[een zalm die nu eens niet
trekt], is twijfelachtig. En de BEEKPRIK[PETROMYZON PLANERI] is wel in de jeker
gevangen en vroeger ook in Geleen en Rode Beek, maar het is toch een zeldzaam dier.
Maar wel interessant. Als larf, die er heel anders uitziet dan het volwassen
visje, met een hoefijzervormig bekje zonder tandjes en ook een andere ademhaling,
leeft dit diertje drie tot vier jaar op de beekbodem. Na die tijd begint de metamorfose,
die in een paar maanden afloopt. En dan worden de eitjes gelegd. Na de metamorfose
schijnen de visjes niet meer te eten, want de darm gaat dan langzamerhand elkaar,
de bek is rond en met hoorntandjes bezet, en langs de zijkanten zeven paar kieuwspleten
of gaten, die met het oog en het neusgat samen het beestje de naam negenoog hebben
bezorgd. In de Geleen schijnt de Beekprik verdreven te zijn als gevolg van de beekvervuiling.
Tot zover onze zeldzaam wordende Limburgse Beekvissen TH.
ABBENHUIS
Voor U gelezen het verenigingsjaar 1974
Zeewieren
Het Zeewier , dat als plant de ijstijd heeft overleeft, behoort tot de meest primitieve
vorm van vegetatief leven. Het kent geen bloemen, vruchten of bladeren; wat op
wortels lijkt is in feite een houvast, waarmee de plant zich aan de bodem vastgrijpt.
Het zeewier is rijk in verscheidenheid en groot in hoeveelheid. De aanwas van bruin
wier alleen wordt geschat op 100 miljoen ton per jaar. Slechts o,3 % wordt daarvan
nu door de mens geëxploiteerd. Voornamelijk voor de extractie van verdikkings
en verstijvingbestanddelen vindt zeewier toepassing in de farmaceutische industrie[
agar en alginaten], de voedingsmiddelenindustrie [ vleesproducten, beschuit, puddingen
en geleiden], de textiel- en de verfindustrie, de cosmetische industrie [zeepfabricage],
de lijm- en papierindustrie, bij bevriezingsprocessen, als veevoeder en in kunstmestproducten,
om er enkele te noemen. Van de kleinere wieren, zoals die aan de kusten van Noord-Europa
veelvuldig voorkomen, is het Ierse mos of carragheen het meest waardevolle. Een
ton Iers mos kan droog F 4000.- opbrengen. Maar ook het grotere bruine wier
is van groeiend economisch belang. In het Kattengat wordt daarvan jaarlijks 20.000
ton geoogst, in Bretagne 200.000 ton. Van het uit laatstgenoemde kustzee gewonnen
wier wordt gezegd dat weiden die het als kunstmest krijgen toegediend, immuniteit
geven tegen mond- en klauwzeer. Daar de wiergronden zich op ondiep water bevinden
en het wier zich bij voorkeur op rotsachtige bodem vasthecht en niet van zijn verankering
mag worden losgetrokken, wordt gezocht naar bruikbare onderwatermaaimachines en
verbeterde oogsttechnieken. Vanzelfsprekend zou een langer soort wier op dieper
water het mechanisch wieden vereenvoudigen. De belangstelling gaat de laatste
tijd dan ook meer en meer uit naar de groep reuzenwieren en wel in het bijzonder
naar de mogelijkheid die groep naar de zeeën bij de dichter bevolkte gebieden
over te planten.
De Reuzewieren
Reuzewieren floreren onder meer aan de kust van Chili, Tasmanie, Californie en
het Kerguelen eiland[Fr.]. Anders dan de hiervoor besproken kleinere soorten groeit
dit wier ook in diepere wateren achter de branding, waar zij over hun gehele oppervlakten
het voedsel opnemen dat de oceaan aanvoert. Mede door de energie die zij uit
het zonlicht putten groeien deze wieren met de ongewone snelheid van 60 cm per dag
en bereiken zij lengten van 70 m, waarmee zij de grootste planten op aarde vormen.
Deze wieren hebben een enorme opbrengst. Per m2 produceren zij een
gewicht van 140 tot 600 kg, de voet niet meegerekend, een cijfer dat men kan vergelijken
met de 20 kg fruit die een goede boomgaard per m2 te land oplevert. Iedere volwassen
plant produceert daarbij bijna een miljoen sporen per dag. Eieren die door een
vrouwelijke plant worden voortgebracht groeien, indien zij binnen 24 uur door het
vrijzwemmende zaad van een mannelijke plant worden bevrucht, met een formidabele
snelheid; in 6 maanden tot 3-5 m. Zodat hun met lucht gevulde balletjes, die als
drijvers fungeren, het oppervlak bereiken, kunnen ze worden geoogst. De reuzewieren
zijn voor de oceanen wat de wouden op het vasteland zijn. Zij voorzien het leven
onder zee van voedsel, schuil en rustplaatsen. Zeewierwouden vormen ideale broedplaatsen
voor schaaldieren zoals kammosselen, schelpen, oesters en krabben en hun waarde
wordt mede bepaald door de onderwaterkolonie die zij herbergen. Zo wordt de waarde
van een zeewierbed aan de kust van Zuid-Californie voor de economie van de V.S
geschat op F210 miljoen jaarlijks, daarvan komt F17,5 miljoen voort uit de wieroogst,
F17.5miljoen uit de visserij op kreeft e.d en niet minder dan F175 miljoen
uit de sportvisserij. Er zijn vanzelfsprekend gevaren die het bestaan van
deze wouden bedreigen, zoals rioleringen en ongewoon warm water. Het grootste gevaar
vormt echter de zee-egel. Een leger met een geschatte sterkte van 10 miljoen zee-egels
kan in een paar maanden tijd een wierbed van 10 km 2 doen verdwijnen. Doch
de stengels af te zagen doen zij enkele honderden kilo;s plant verloren gaan, terwijl
het diertje aan een ons voedsel genoeg zou hebben. Een dergelijke plaag kan echter
worden bestreden, maar het is daarenboven mogelijk gebleken een geheel wierbed op
te pakken en naar een andere plaats te verslepen. De stengel wordt dan doorgesneden
en op de nieuwe plaats met touwen aan de bodem verankerd.
Het kweken van reuzewieren
Deze unieke en taaie eigenschappen doen veronderstellen dat het mogelijk moet zijn
het reuzewier ook naar andere wateren over te brengen. Recente onderzoekingen van
een zekere dr.North in Califorie om wier ter plaatse te kweken werden met succes
beloond en geven in dit opzicht reden tot optimisme. In een houten kist van ongeveer
1 m2 grote, waardoorheen het zeewater vrijelijk kon stromen,plaatste hij, te samen
met het ;loof; van volwassen wieren, een enkel houten raamwerk waaromheen 100 m
dun touw was gewonden. Na de 24 uur vrij drijvende bevruchtingsperiode begonnen
kleine sporen zich af te zetten op het touw en geholpen door het kunstlicht zich
snel te ontwikkelen. Na er van een duidelijke afzetting sprake was bracht Dr.North
het raamwerk naar de gewenste plaats in zee, waar de touwen werden afgewonden en
verankerd. Met grote snelheid groeiden de planten van dit raamwerk uit tot een gigantisch
drijvend wierbed van 8 km2 . Hoewel het hier en daar telen van zeewier op het
continentale plat voor de industrie veelbelovend zou kunnen zijn, al denkt men onwillekeurig
aan de konijnenplaag in Australie, kan men zich afvragen of de gedachte de open
zee van wierbedden te voorzien niet nog belangrijker aspecten zou kunnen bieden.
In Indonesie vlechten vissers grote vlotten van palmbladeren die zij enkele weken
in zee laten ronddrijven. Daarna ,oogsten zij de vlotten door simpelweg de vele
vissen te vangen die zich tussen de bladeren een schuil en broedplaats hadden gezocht.
Eenzelfde gedachte als die aan het in Califonie in zee werpen van oude tramwagens
en in Bretagene aan het in zee brengen van betonnen-hokken als, tehuizen, voor
vis ten grondslag ligt. Op soortgelijke wijze zou men echter gekweekte jonge
wierbedden bij Alaska in de oceaan kunnen zetten, die tegen de tijd dat ze met de
zeestroom meedrijvende op lagere breedte zijn gekomen, zullen zijn uitgegroeid tot
velden van vele vierkante mijlen en die dan als zeeweiden duizenden kilo,s eetbare
vis in hun loof zullen brengen. Zo zou iedere wierweide een dubbele oogst brengen,
van zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Samengevat kan men vaststellen dat
zich ook hier voor de toekomst belangrijke mogelijkheden voordoen, waarbij de vraag
rijst op welke plaatsen men een wierkweek zou kunnen doen ontstaan. Er bestaat
namelijk geen twijfel aan dat als gevolg van de steeds hoger wordende levensstandaard
en toenemende bevolking, de behoeften aan verdikking en verstijvingmiddelen, kunstmest
en veevoeder zal groeien en een vraag naar wier zal doen ontstaan die in de komende
tien jaar die van de daaraan voorafgaande vijftig zal overtreffen.
.