
Vissen
Mijn eerste kennismaking met vissen, die had ik toen ik nog een kind was.
Mijn opa een schoenmaker, die net als mijn ouders arm was, die hield meer van vissen
in een vijver van Meezenbroek, dan van schoenen lappen. Ik zie het nog voor mij,
hoe hij daar met zijn hengel op een eilandje zat, om voor mijn oma, mijn ooms en
een tante, die nog bij hem thuis woonden, een deel van hun kost bij elkaar te scharrelen.
Wanneer hij een grote buit had, dan kregen mijn ouders ook hun deel. En zelfs ook
Jan Rabeling, onze verlamde buurman op krukken. Die repareerde zonder dat hij daar
een diploma had, ook schoenen. En voor kinderen van arme mensen, vervaardigde Jan
zelfs schoenen en slofjes uit afgedankte auto-
Mijn oma ontdeed de vissen van hun schubben, hun zwemblaas, en wat er nog meer voor oneetbaars aan en in een vis zit. Die lagen dan meestal (voor de poes) op het achterplaatsje in de goot. Naast het putje met een traliedeksel. Ik speelde daar met de zwemblazen. Die deden: “Pang” wanneer je er op drukte. Ik meende, oprecht, dat die dingen de zieltjes van de vissen waren. Zo stelde ik mij mijn eigen ziel die al beladen was met kinderzonden, ook voor. Anders dan mijn ziel, waar al kleine zwarte vlekjes op zaten, waren de vissenzielen nog zo wit, dat je er bijkans doorheen kon kijken.
Ondanks, dat het verplicht was om te geloven, dat vissen, vogels, bomen, planten, kabouters en landdieren geen ziel hadden, weigerde ik hardnekkig om dat te aanvaarden. Het bewijs, dat er niets van klopte, dat lag immers bij mijn oma in de goot!
Als kind was ik al een echte Ketter. En dan ben ik nog altijd. Ik heb een vijver,
met veel grote vissen. Maar ik zal het nooit over mijn hart kunnen verkrijgen om
er een te vangen, te slachten in de braad-
Het schijnt, dat er ook zoetwaterharingen bestaan. Misschien zitten er wel een paar in mijn vijver! Ondanks, wat ik hierboven verkondig, zou ik die misschien wel met veel liefde rauw opeten, wanneer dat zo zou zijn. Maar alleen dus de haringen.
Gerrit Jetten
Bij de viskraam.
Wanneer ik in Heerlen op de Bongerd kom om daar een kroeg te bezoeken, of om een andere reden, dan ga ik meestal eerst bij een viskraam een stukje gebakken vis of een maatjesharing kopen.
De ene keer kom ik met de auto. En als ik niet over de auto kan beschikken en het weer is niet om over te huilen, dan stap ik op mijn scootmobiel. En binnen een half uurtje, kom ik dan met een vaart van wel twaalf kilometer per uur, in Heerlen aan.
Het driewielige fiets karretje met handaandrijving, van Jan Rabeling, dat ging misschien veel harder vooruit, dan mijn elektrische kar met twee accu’s. Maar ik hoef mij niet moe te maken en mijn armen niet lam te draaien.
Als kind was ik weg van het invalidenkarretje van Jan. Zo’n ding zou ik ook wel willen hebben. Maar ik mocht er van Jan nooit in gaan zitten. Het is heel logisch, dat ik toen dacht: “Wacht maar, tot ik later groot ben!”
Maar die geschiedenis heeft zich iets anders, herhaald. Terwijl ik bij de viskraam, het door mij bestelde maatje zonder uitjes in ontvangst nam, stonden er twee vrouwen en een jongetje van een jaar of zes, misschien zeven, ook bij de kraam. Het jongetje keek naar mij toen ik het maatje vast had. En het zei tegen zijn moeder iets in de trant van: “Opa, hield die haring boven zijn mond en hij liet hen hup, in een keer naar binnen glijden.”
Ik wilde laten zien, dat ik dat ook kon. En daarom hield ik mijn hoofd achterover en liet de haring helemaal, tot aan mijn keel, in mijn mond glijden. Bijna slikte ik hem bij die demonstratie ineens helemaal door. En dat was nou net niet mijn bedoeling. Het jongetje keek daarna vol bewondering naar mijn scootmobiel. En het duurde niet lang, of hij raakte het voertuigje aan. “AFBLIJVEN!” zei zijn moeder. Maar denkend aan mijn eigen jeugd en zelfs aan Jan Rabeling, had ik daar geen moeite mee. “Hij mag er wel even op gaan zitten” zei ik.
Ik had trouwens toch de contactsleutel in mijn rechterbroekzak zitten en er kon niks mis gaan. En terwijl het kind op mijn scootmobiel zat aan het stuur draaide en deed alsof hij er in reed, werd er een nieuwe mop geboren. Want het jongetje zei:
“HET LIJKT MIJ WEL COOL OM OUD TE ZIJN!”
Ik zelf zou het heel cool vinden om weer of nog zo jong te zijn als dat kind. Want dan zou ik weer goed kunnen lopen rennen en rondspringen, zonder dat ik bij elke stap op mijn rechterbeen moest letten om niet te struikelen en te vallen.
En dan kon Jan Rabeling met zijn mooie invalidenfietskar wat mij betreft. DE POT OP!
Gerrit Jetten.
Nieuwe hariiing!
Voordat ik met mijn ouders, naast mijn opa en mijn oma woonde, in een zwarte gats naast de muur van de Oranje Nassau I, woonde ik met mijn ouders, twee zusjes en een poes, in de oude Kerkstraat in Schandelen. In een krakkemikkig huisje met een lekkend pannendak. Er staat wat verder terug, nog altijd een huisje dat er bijna identiek aan is. Of het moet zo zijn dat juist dat ons oude huisje is. Ik kan mij vergissen. Mijn mogelijk vermeende eerste ouderlijk huis, wordt nu ingenomen door rechterhoek van een groot flatgebouw.
Op de hoek van de straat, was een klein onooglijk winkeltje.
Van Benders, naar ik meen. Kippen liepen er in en uit. Een kubusvormig, bekrast hakblok van eikenhout, dat rechts achter de deur stond, diende er als toonbank. Achter het hakblok, stond een vaatje met stroop. Mijn moeder stuurde mij vaak er naar toe, om op de pof een pond bruine bonen of een kan stroop te gaan halen. De vrouw van het winkeltje begreep altijd wat ik bedoelde, wanneer ik zei: “Ein pond boem boene.”
De visvrouw met haar handkar op houten wielen met stalen velgen, kwam elke week langs. En dan riep zij: “Nieuwe hariiiing!” Zij liep in klederdracht. En droeg geloof ik een witte muts met spiegeltjes opzij. Voor ons huis, met de voordeur opzij, maakte zij op haar kar, dikwijls haringen schoon. Ik kan mij niet herinneren, dat ik als kind, daar in dat huisje ooit een visje van haar heb gegeten. Met mijn zusjes kreeg ik wel vaak bruinebonensoep, droog, oud brood en suikerwater.
Toen ik een jaar of 25 was, liep zij nog altijd rond met haar viskar. Van ver hoorde je al haar stem: “Nieuwe harriiiiing!”
Die was dikwijls vermengd met de roep van de voddenraper. (de loemeleboer) “Lomeleeee... Knienevelleee!”
Ik zag haar toen weer, terwijl zij er juist aan begon, om haar viskar de Schelsberg op te duwen. Ik stapte van mijn fiets af en besloot om met de fiets aan mijn rechterhand, de visvrouw een handje te helpen om haar handwagen mee naar boven te duwen. Eigenlijk alleen maar omdat ik zin had in een gratis harinkje als beloning. En niet uit goedheid.
Zij babbelde honderduit en zei: “Fijn dat U mij helpt. Dat doet tegenwoordig bijna niemand meer!”
“U moet toch wel een sterke vrouw zijn, om elke keer die kar naar boven te duwen!” meende ik.
Boven aangekomen, verwachtte ik een beloning.
“Rookt U?” Vroeg de visverkoopster.
“Jawel mevrouw!” zei ik En ik voelde blijdschap opkomen.
“Ja, dat dacht ik al. Want u hijgt zo!”
Toen nam zij haar handwagen zelf helemaal over en roepend:
“Nieuwe Haring!” vervolgde zij haar weg.
Gerrit Jetten.
Tijd, om te paren en te paaien.
Wanneer het voorjaar wordt, dan zij dan krijgen de bruine kikkers en de padden lentekriebels. En als eersten zijn zij het die in het water aan paren om nageslacht op de wereld te kunnen zetten.
Na hun volgen de groene kikkers. Bijna samen met salamanders.
De mannetjes van bruine kikkers, lijken in mijn ogen echte seksmaniakken. Zij bespringen padden om bij hun, hun kwakjes kwijt te raken. En nog verder van hun soort vandaan, worden ook vissen slachtoffer van hun vuige lusten.
Zij klemmen zich aan een vis vast. En met kikker op zijn rug blijft die vis soms wel een paar dagen lang, rondzwemmen. Ik weet niet of een vis dat leuk vindt. Maar ik laat die kikkers begaan. Misschien ontstaan dan door kruising in mijn vijver, wel een paar nieuwe soorten. Half vis en half kikker. Een vis met pootjes. Een vis met oren, die zou wel eens heel leuk en bijzonder kunnen zijn.
Vissen zelf, die kunnen er wat dat betreft, ook wel wat van. In hun seksuele leven kennen zij geen moraal. Ze houden van groepsseks. Want met drie vier vijf mannetjes tegelijk, strooien zij hun hom uit achter een enkele vrouwtjesvis. En het laat hun koud als dat vrouwtje van een heel andere soort is dan hun. Zodoende wonen er in mijn vijver heel wat Bastaardvissen, die zelfs mijnheer Darwin nog niet eerder had gezien.
Een klein visje, zit soms achter een grote vis aan en andersom wil een groterik een kleintje tot zijn gade maken. Maar voor de vissen waar de meeste van nature heel goed en heel lief van zijn, bestaan de tien geboden niet. Ik weet niet meer wat het nummer is over het verbod van hun uitspattingen.
Gerrit Jetten.
Bittervoorntjes.
Bittervoorns, die zijn aangaande de kuisheid, heel strak in de leer. Die zijn net heiligen. Een mannetje zoekt een vrouwtje.
Dat brengt hij naar een mossel toe. En daarin legt het met een legboor wat eitjes. Misschien een stuk of tien. Het moet er wel voor zorgen, dat die mossel, die als buitenbaarmoeder fungeert, er niet van schrikt. Maar daar hebben bittervoorntje misschien een trucje op gevonden omdat te kunnen voorkomen en zelfs welkom te worden geheten. Zou dat niet het geval zijn, dan kon een mossel heel goed zo gemeen zijn, om het legpenisje van het visje af te knijpen. Dat zal wel een vorm van symbiose, onderlinge samenwerking dus zijn.
Tot de jongen uit de eitjes komen, blijft het mannelijke visje bij de mossel. En het waaiert met zijn staart voor wat extra stroming in het water rondom.
De mossel, die kleine organismetjes en zo eet, die heeft daar profijt van. Die kan zich zodoende, vooral in rustig water, lekker volvreten.
Aan andere vissen, soortgenoten en zelfs grotere vissen, die te dichtbij komen, laat het bittervoorntje zijn tanden zien. Die probeert het bang te maken. En die laten zich ook wegjagen. Maar het zijn voornamelijk soortgenoten, die niet in de buurt mogen komen.
Is er geen geschikte mossel in de buurt is, dan zijn bittervoorntjes tevreden met een ander weekdier in een schelp, zoals bijvoorbeeld een slak.
En zijn er door een overvloed aan bittervoorntjes te weinig mosselen in het water, dan zoeken zij soms een plekje op met veel zachte stroming. Daar leggen zij dan soms wat eitjes in het zand. Dat meen ik althans te hebben gezien voor de ruit in mijn ondergrondse aquariumvijver. Naast het beton van de omlijsting van de ruit.
Daarnaast zijn bittervoorntjes zo slim, om niet, net als kikkers en andere vissen, allemaal tegelijk vruchtbaar te zijn. Er zit misschien een oude ervaren bittervoorn in het water, van mijn vijver, die er een mosselenverhuurbedrijfje op na houdt. Die kunnen de visjes dan om de beurt, als kraamkamer gebruiken.
Gerrit Jetten.
Opstel over vissen.
Een vis is een dier, dat in water leeft en woont. Meestal is een vis langwerpig. Maar er zijn ook soorten die bijna rond zijn. Andere zijn nog vormlozer dan aardappels. De meeste vissen zijn heel lief. Maar er bestaan ook hele nare vissen.
In een vijver, zijn vissen soms zo tam, dat men ze kan onder water aaien. Maar dat kan men beter niet doen. Want dat is niet goed voor hun huid. En zelf krijgt men daar, vooral in de winter, kouwe handen door.
Een vis heeft een kop, een bek, twee ogen kieuwen vinnen en een staart. Zijn kop zit aan de voorkant en de staart aan de achterkant van het dier. Zijn staart en zijn vinnen gebruikt hij om te zwemmen. Met zijn kieuwen ademt hij. Daar gebruikt hij zijn mond bij, die dan steeds open en dicht gaat. Waar zijn ogen voor dienen, dat hoef ik niet uit te leggen.
Een klankmatige overeenkomst tussen een vis en een paard is, dat je een paard kan berijden. En een vis, die kun je bereiden. Dat laatste zou bij een paard ook wel kunnen. Maar dan moet het eerst dood zijn. En dat geld ook voor vissen.
Dat ze om te kunnen worden bereid, eerst dood moet zijn, dat geldt niet voor alle waterdieren. Mosselen bijvoorbeeld, die mogen nog leven, als ze in de pan worden gestopt. En kreeften ook. Ik weet niet of dat pijn doet. Want zij kunnen niet au zeggen.
Je kunt waterdieren die je lekker vindt, braden, koken stomen of roken. Maar oesters en haringen die worden dikwijls rauw en de eerste nog levend opgegeten.
Wij kunnen niet alle vissen eten. Ze zijn niet allemaal lekker. En sommige, zoals kogelvissen die zijn zelfs vergiftig. Daar kan men heel erg ziek door worden of zelfs sterven!
Dat geldt ook voor lekkere vis die bedorven is. Dat kun je heel goed ruiken. Die ruikt als een vieze vrouw, die zich heel lang niet meer heeft gewassen.
Gerrit Jetten.
De walvis.
Uit een onderzoek over vlooien in vlooientheaters, is ooit gebleken, dat vlooien met hun pootjes horen. Om daar achter te komen moest een vlooientemmer hen beurtelings een pootje uittrekken. En dan zeggen: “Spring!”
Op die manier, kon de wetenschap ontdekken, welk pootje voor een vlo het belangrijkst was, om te kunnen horen. Ondanks, dat het per vlo verschilt. Daardoor bestaat daar nu nog steeds geen volstrekte zekerheid over. Maar ooit komt men daar nog wel achter.
En omdat een vlo erg klein, en zelfs lastig is, maken de meeste mensen zich daar niet druk om. Maar ik geloof niet dat men dat moet uitproberen bij een groter dier als bijvoorbeeld een paard. Want dan komen er protesten!
Japanners bestuderen al een hele tijd de walvissen. Die vinden het bijvoorbeeld heel belangrijk voor de wetenschap, om er achter te komen, hoe walvissen reageren, wanneer ze dood worden gemaakt. Maar het is niet gemakkelijk om daar achter te komen.
Om tijdens het doodmaken van walvissen het water in de zee niet te vervuilen, nemen de Japanners walwissen die zij omwille van hun wetenschap hebben geharpoeneerd, mee naar hun land. Hun vlees, dat geven ze daar aan restaurants en aan fabrieken.
Omdat naar men in Japan meent dat bepaalde delen van een walvis potentieverhogend zijn, en ook, dat je er ronde ogen door krijgt, eet men in Japan veel walvisvlees. Vooral na de bommen in Hiroshima en Nagasaki. Het zou ook helpen ook tegen een minderwaardigheidscomplex!
Ik snap niet dat men in Japan nog geen reclame maakt, om mensen die daarmee behept zijn, nog beter te kunnen helpen: “HEEFT U LAST VAN EEN GEVOEL VAN MINDERWAARDIGHEID?
EET DAN WALVISVLEES.”
Het helpt tegen van alles en nog wat!
Door erfelijkheid, wonen daar veel impotente Japanse mannen. En ook mensen die niet tevreden zijn over zich zelf. De meeste impotente mannen, en zelfs hun Keizer, die de beste stukken krijgt, die eten dat vlees met lange tanden. Men weet in Japan nog niet, of echt helpt.
Japanners, die de laatste walvissen doden, die verrijken in hun land misschien de geschiedenis. Net als bij ons: Sint Joris de drakendoder. Die was heel dapper, omdat hij zo’n groot, gemeen dier dood durfde te maken. En een walvis, die is nog veel, en veel groter! Bij ons in Nederland, daar hebben wij gelukkig maatjesharing. Wij hoeven dat vieze vlees, van die gevaarlijke walvissen, niet te eten.
Gerrit Jetten.
