

Uit de oude doos.
Voor U gelezen, verenigingsboekje het jaar 1968
Geepachtigen
De geepachtigen zijn niet zo van belang voor de aquariumhouders, maar ik wil dan toch hierover wat gaan schrijven. Dit is een orde van beenvissen, gekenmerkt door een lang gestrekt lichaam met een snavelachtige bek. De onderkaak gewoonlijk langer dan de bovenkaak.
Een uitgebreide tropische familie, de halfsnavelbekjes (hemiromphidae), is in de kringen van de aquariumhouders bekend. Deze familie is bijzonder interessant door de verschillende voortplantingsvormen nl. van volkomen eierleggende tot volslagen levensbarend en alle tussenliggende stadia, die wij bij verschillende groepen aantreffen.

Het meest bekende is wel het levendbarende halfsnavelbekje (Dermogenus Pusillus), uit de Indische Archipel. De man is ongeveer 5 cm lang en het vrouwtje 7 cm. De onderkaak met rode en zwarte rand, gele vinnen, iets roodachtig.
Boven de buikvinnen hebben ze een zwarte vlek en de basis van rug-
Bij het vrouwtje ontbreekt de rode rand van de bek. Deze vissen leven het liefst in een aquarium met lage waterstand, waar boven de waterspiegel muggen en drosophila aanwezig zijn, die zo door de vissen gegrepen kunnen worden. Daarnaast eten ze ook ander dierlijk en plantaardig voedsel.
M. Bruinooge.
Voor u Gelezen: het verenigingsjaar 1968
DE MEERVALLEN
De meervallen vormen een buitengewoon omvangrijke orde, verspreid over de zoetwateren van alle werelddelen.
Zelfs Australië dat vrijwel geen primaire zoetwatervissen kent, herbergt een groot aantal soorten. In dat gebied zijn het eigenlijk meervallen die van zee komen om in zoetwater te paren. De meervallen zijn betrekkelijk onschadelijke vissen in een normaal bevolkt aquarium, die lage temperaturen behoeven. Ze vormen de vuilnisdienst op de bodem, waar ze naar voedselresten en weggekropen levend voer zoeken. Dit doen ze door middel van de voeldraden die ze voor aan hun bek hebben, daar ze een slecht gezichtsvermogen hebben. Omdat ze alles eten zijn ze niet moeilijk te houden, en vormen in combinatie met de meer vrij zwemmende vissen een prima geheel tussen stenen, in holen en op de bodem. Hun kleur is niet opvallend en ze bezitten geen schubben. De huid is naakt en met een dikke slijmlaag (huid) bedekt, of er vormen zich in de opperhuid kalkafzettingen, in de vorm van regelmatige beenplaatjes.
Het belangrijkste meervallengeslacht voor de aquariumhouders zijn de CORYDORAS. Zij
komen voor in heel Zuid-
Bij de harnas meervallen Cory. Pygmaeus
zijn de beenplaten in minder regelmatige rangorde rond het lichaam geplaatst. Meer en meer in de belangstelling komen ook de glasmeervallen, ze worden in aquaria circa 15 cm. lang. Bij de meervallen komen ook alle soorten ademhalingsorganen voor; via de huiden, de vin membramen, het darmkanaal, de zwemblaas, kieuwholte, kieuwzakken, tot de kieuwen toe, waarbij opvalt dat de zuurstofopname niet in de eerste instantie met de kieuwen geschiedt.

Deze verschillende manieren van ademhaling bij de meervallen zijn beschreven in verschillende
boeken, waaronder ook de Elsevier-
Enkele interessante meervallen uit Afrika zijn SYNNONDONTUS ANGELICUS en S. NIGRIVENTRIS.
Het zijn prachtig getekende vissen met Synodontis Multipunctatus een zeer rustige en boeiende leefwijze.
De S. NIGRIVENTRIS is interessant omdat het dier zich gewoonlijk met de buik omhoog voort beweegt en ook op deze manier rust.

Ook een interessante meerval uit Zuid-
De karakteristieke lange baarddraden verlevendigen in hoge mate de beweging van het dier. Twee soorten uit Zuid Oost Azie voor de grotere aquaria zijn MYSTUS TENGARE en M. VITATUS, ze kunnen 20 cm. lang worden.

Hiermede eindig ik met de vijf vissen orden voor de zoetwater aquaria.
M. Bruinooge.
Uit de oude doos
Het verenigingsjaar 1969
Tetra
Daar dhr. Klaassen, wegens studieredenen voorlopig een punt achter zijn fotoseriebeschrijvingen
moet zetten, wil ik proberen hem in deze zo goed mogelijk te vervangen. Nu dan onze
Citroen-
Herkomst, middenloop der Amazonerivier in Brazilië. Reeds voor de oorlog in Duitsland geïmporteerd, doch ons land pas in 1947 voor het eerst binnengesmokkeld.
De bouw en kleuren komen enigszins op bovenstaande kleurenplaat naar voren, al moet ik hier direct aan toevoegen dat, als de vissen goed in orde zijn, het rood van de oogiris en het geel en het zwart van de vinnen, veel scherper en dieper van kleur zijn, als we hier zien kunnen.
Maar om dit te bereiken, moeten we ze wel geven waar ze van houden, namelijk temperatuur
22 graden Celsius, een bakje met dichte randbeplanting en wat drijfgroen, en als
’t kan, ’s morgens wat zonlicht erin. Aan dit eerste vereiste mankeert het wel eens,
daar b.v. 25-
Bij het houden van één koppeltje mist u echt onderlinge baltsen en pronken wat de mannen ten toon spreiden om in de gunst van ’n vrouwtje te vallen. Hierbij komen pas echt de prachtige kleuren en vormen van de vinnen naar voren. Groot worden deze vissen niet, plus minus 42 centimeter, doch zelden heb ik tot nu toe mooie uitgegroeide exemplaren gezien.
Veel vinden we ze ook niet in liefhebbersbakken, hetgeen waarschijnlijk te wijten is aan het feit, dat ze bij de handelaren erg van kleur af zijn, en dan een heel fletse indruk maken.
Rest nog iets te zeggen over de kweek. We gebruiken geen hard water, het kweekbakje beplanten we met Ceratopteris (eikenbladvaren) en schermen we wat af, daar het eieren afzetten dan wat vlugger gaat.
De eieren komen afhankelijk van de temperatuur na 30 tot 50 uren uit, terwijl de jongen gemakkelijk met infusie zijn groot te brengen.
Th. Abbenhuis.
Literatuur:
Het Aquarium 31e jaargang nr. 4
Hoedeman Encyclopedie blz. 128
Kleurenpracht in het Aquarium blz. 106

Echinodorus Longistylis
Nu in de zomermaanden de bak van de maand tijdelijk niet gehouden wordt en ook het verslag hiervan niet in ons blad verschijnt, hebben we plaats over, om het een en ander te schrijven.

In de Eikebladvaren, wil ik ook nu een beschrijving geven, van een plant welke weinig of nooit in een aquarium te zien is.
Deze plant zou Echinodorus Longistylis heten, volgens de handelaar, waarbij ik hem in 1969 kocht.
Toen ik hem een tijdje had, werd het toch een nogal forse plant voor de bak die ik toen had en moest natuurlijk hieruit verwijderd worden, om ook de andere levende have een levenskans te geven.
Enkele gegevens zijn ontleend uit het boek Aquariumplanten van Prof. De Wit en enkele aantekeningen van mij zelf:
UITERLIJK: Bladschijf elliptisch tot langwerpig, 15-
De maximale breedte die ik had , was 15 cm, terwijl de lengte wel klopte.
Krachtig groen met 5-
Voor een groot-
Denk eens in, een plant met 15 of 20 van die bladeren zoals de figuur laat zien, en dan, terwijl dit nog niet de ware grootte is.
Nog iets; wil men deze plant niet al te fors hebben, dan moet men er voor zorgen, dat de bodem niet al te voedzaam is.
M.E. Bruinooge.
Iets over de Barclaya Longifolia

Er zijn eens ± 50 knolletjes van deze plant op de vergadering verdeeld geworden, waarbij ieder een portie mee naar huis nam, met een kleine handleiding, hoe men ze het beste kon opkweken.
Er gingen een paar maanden over heen en er werd steeds naar gevraagd, hoe het er mee was. Toen ik dan de enige was die er wat van terecht had gebracht, heb ik verteld hoe ik het precies gedaan had, maar omdat er zoveel nieuwe leden bij gekomen zijn wil ik het wel nog eens in ons maandblad vermelden.
Ik ben thuis gekomen en heb een klein plastic bakje genomen ± 4 cm hoog (kwarkdoosjes zijn juist goed, want die zijn niet zo zwaar). Toen heb ik er zand en turfmolen in gedaan, de knolletjes erin geplant en er toen wat afgekookt turfwater op gedaan, zodat het bakje onder de dekruiten op het water van mijn aquarium bleef drijven. Toen maar afwachten. Na een paar maanden begonnen er flink wat blaadjes aan te komen. Toen de blaadjes te groot werden heb ik een plastic emmertje gepakt, want de blaadjes mogen niet boven het water of aan de waterspiegel drijven, want dan verslijmen ze.
Toen ze te groot werden voor het emmertje heb ik ze in mijn aquarium geplaatst. Van de 5 knolletjes die ik had gekregen had ik ook 5 plantjes getrokken. Maar in de bak werden ze niet groter dan 5 cm.
Nu dacht ik wat zal daar de oorzaak van zijn? Ik ben een beetje in de boeken gaan snuffelen en heb ontdekt dat deze plant een temperatuur van ± 25 graden moet hebben, hetgeen wel te doen is, namelijk, men zet de thermostaat op 25 graden C en klaar is kees, maar dat is het niet alleen.
De bodem waar de knol in zit moet ook diezelfde temperatuur hebben en dat is te verkrijgen door in een grillig gevormd ligniet – blok een uitholling met zijdelingse ventilatie kanalen te maken, zodat een decoratieve onderwater bloempot ontstaat.
De uitholling wordt met turfvezels opgevuld en verder voorzien van 50% bladaarde. Zo wordt het bakje op de bodem van het aquarium geplaatst, zodat het dezelfde temperatuur heeft als het water.
Wilt u meer weten over de plant, dan zoekt u verder in jaargang HET AQUARIUM 1966/1967 van de N.B.A.T.
NOOT VAN DE REDACTIE
Ligniet is een jongere vorming van bruinkool, en wordt ook wel betiteld als Bitumineus Hout.